Bloedend hart

Hartzeer. Het vreet aan je lijf en leden. Een voortdurende waas voor de ogen. Het werpt je terug en noopt je tot isolatie. Jij alleen met jezelf. Het ordenen van gedachten lukt nauwelijks, alles is chaos. Je staat voor het zebrapad en vergeet over te steken. Sleutels leg je in de ijskast. Of je gaat naar je bureau omdat je een foto zoekt, maar onderweg sta je bewegingsloos voor de badkamerspiegel.

Bloeddruk 18 over 11, mijn huisdokter kijkt bezorgd. Ik maak een afspraak met een specialist. Deze dokter checkt werkelijk alles. Het begint met sportoefeningen op de fiets, het lopen op een lijn, het beantwoorden van honderden vragen die ze met zachte stem één voor één opsomt. En ik eindig onder een scanner in het ziekenhuis voor verder onderzoek. Een hartspecialiste uit de duizend, die ik sedertdien ‘madame Coeur’ noem.

Ze is zo nauwgezet in het afvinken van alles wat moet gecontroleerd worden, dat ik spontaan zelf mogelijke verbanden begin op te sommen. Ik vertel haar dat ik misschien wel weet waar het vandaan komt, wat volgens mij de oorzaak van het gevoel van uitputting kan zijn.

In return vertelt ze mij een stuk van haar levensgeschiedenis. Het eindigt in een mooi liefdesverhaal met een nieuwe partner, nu al vijf jaar. Ze wonen niet samen. ‘Zie je elkaar dan vaak?’, vraag ik. ‘Ja, hij komt iedere avond hier slapen.’ ‘Vanuit West-Vlaanderen is dat toch een hele tocht’, opper ik. ‘Het is zo gezellig’, zegt ze. ‘We liggen lepeltje-lepeltje. Maar weet je wat eigenaardig is? We vallen in elkaars armen in slaap, mijn rug in zijn schoot. Maar ‘s morgens word ik steevast wakker, helemaal op het uiteinde van het bed en lig ik roerloos in een klein bolletje.’ Ik kijk vragend. ‘Mijn ex-echtgenoot was een geweldpleger’, zegt ze. ‘Ik kreeg slaag en hij tierde voor de hele straat. Op een bepaald moment ben ik weggegaan, zonder iets te zeggen. Om nooit meer terug te keren. Zijn agressiviteit kroop in mij en werd een deel van mijn lijf. Ik zoek, blijkbaar heel onbewust, bescherming, zelfs in de
nacht, nu nog, na al die jaren, door op het randje van het bed te kruipen, ver weg van een mogelijke dreiging.’

Het doet me denken aan mijn ex-schoonvader. Hij verbleef als kleine jongen lang in internaten. Hij kreeg stokslagen als hij in bed niet met zijn handen boven de dekens lag. De kuisheidsmoraal werd door strenge opvoeders en priesters met harde hand afgedwongen. Zijn vrouw vindt hem nog steeds, na vijfenzeventig jaar, iedere ochtend op dezelfde manier terug als ze wakker wordt: hij ligt te slapen opzijn rug, met gekruiste armen op zijn borst, de gestrekte vingers langs zijn hals. Ik zie dat beeld voor mij.

Het lijf weet wat te doen om dreigend gevaar te snel af te zijn. Het leert omgaan met trauma, door het de plek te geven die het nodig heeft, of door het stilaan te laten oplossen.

De paniekerige wandeling aan het begin van dit ‘hart’, is ondertussen geëvolueerd. Het leven sloeg op hol. Toen. Madame Coeur bevestigt mij dat de rust zich opnieuw geïnstalleerd heeft. Mijn hart tikt wonderwel goed, ze kan geen enkele fysieke afwijking vinden.

Ik neem mijn stapschoenen richting de Bourgoyen-Ossemeersen. Het groen ontluikt opnieuw in al zijn pracht. Nu loop ik fier voorbij alle natte banken en stap met stevige tred de volledige lus rond, langs de randen van de vijvers. Het water blinkt in het zonlicht. Kijk, daar, een regenboog.

Sofie Muller schildert haar ‘Bloedend hart’ (2015) met eigen
bloed en rook (as). ‘We zijn bloed en rook’ en de medische
buisjes pompen opnieuw leven in het hart. De zuivere condition
humaine met zijn manipulatie die levens redt en de hedendaagse
vervreemding die ons uit elkaar drijft.